Op de valreep

Het afstandsdossier valt in de bus op een snikhete zomerdag met temperaturen oplopend tot ver boven de vijfendertig graden. Met kloppend hart nestel ik me op een bankje in de schaduw achter het huis met ruim honderd bladzijden ouderwets getypte tekst op mijn schoot. De woorden vertellen een vergeten geschiedenis en het is een vreemde gewaarwording hoofdpersoon te zijn in een onbekend verhaal. Medewerkers van toen schrijven over mijn ontstaansouders, waarbij zij hun persoonlijke opvattingen met verve in de rapportages verwerken. Men spreekt schande van het frivole gedrag en het resultaat ervan, namelijk een ongewenste zwangerschap. Verslagen volgen over de periode van het verblijf van mijn moeder en mij bij Moederheil in Breda. Bevallingsgegevens zijn opgenomen in de documentatie en ook de correspondentie van de instanties met mijn moeder nadat ze uit de kliniek is vertrokken. Een apart dossier is bijgevoegd over mijn adoptiefouders, hun achtergronden, motivaties en referenties van derden met verklaringen over hun geschiktheid als opvoeders.

Vooropgesteld dat de gegevens van mijn ontstaansouders bekend zijn en hun levensloop voor mij geen grote geheimen meer bevat, heb ik me tot voor kort verlaten op hun persoonlijke herinneringen die ze naar vermogen met me hebben gedeeld. In het dossier van Moederheil staat dat ik ben geboren om 17.45 uur.
Eénentwintig jaar was ik toen mijn ontstaansmoeder me opzocht en ze vertelde desgevraagd dat het om en nabij de vroege ochtend moet zijn geweest dat ze mij ter wereld bracht. Hoe laat precies wist ze niet meer.
Deze gegevens heb ik voorgelegd aan een serieus te nemen astroloog, die een ultieme poging deed een geloofwaardige berekening te maken. De sterren vertelden een verhaal dat ik graag wilde geloven maar nu weet ik het niet zo zeker meer.

‘Gezonde baby, 2700 gram, 50 cm, geboren op 27-01-1965 om 17.45 uur, partus: geen bijzonderheden. Opvallend klein hoofd en blond, krullerig nesthaar. Moeder overweegt afstand te doen.’ In de documenten – het zijn er nogal wat – wordt mijn ontstaansmoeder omschreven als een labiele persoonlijkheid, die de verantwoordelijkheid voor het ouderschap niet naar wens opnam. Direct na mijn geboorte vertrok ze naar de grote stad en keerde niet meer terug. Wel nam ze contact op met mijn ontstaansvader maar het bleef bij enkele kortstondige ontmoetingen. In november 1965, tien maanden na de bevalling, nam de Raad voor de Kinderbescherming de regie over en forceerde een keuze ‘in het belang van het kind’. ‘Het is een pittig meiske met blond krulhaar en behoeft plaatsing in een kansrijk gezin zodat het zich goed kan ontwikkelen. Het kan intelligent en muzikaal zijn.’ Deze aanname was niet alleen gebaseerd op de observaties in de kliniek annex opvanghuis ‘ Moederheil’ maar ook op de wensen van mijn ontstaansmoeder. Ze tekende voor afstand en dat was dat.
Deze variant op mijn ontstaansgeschiedenis wijkt nogal af van de geromantiseerde versie die mij vroeger werd voorgehouden. Het slachtofferschap werd stevig aangezet en iedereen nam ’t voor waar aan. ‘Jouw mammie kon je niet houden want ze had geen centjes.’ De ware toedracht is triviaal, naar nu blijkt.

Mijn adoptiefouders stonden te trappelen, ongewenste kinderloosheid is echt akelig. Na hun aanmelding gingen ze door een ballotage die we ons heden ten dage niet meer kunnen voorstellen getuige de beschrijving in het dossier. Vergeef me dat ik hierover zwijg, uit eer, respect en dank naar hen toe. De deur naar hun hart stond wagenwijd open.

En zo kwam ik op de valreep terecht in een wereld van liefde, toewijding, kansen en middelen in overvloed en natuurlijk ook de nodige verwachtingen. Mijn hooggevoeligheid werd tot op zekere hoogte ontvangen met ruimte en begrip en toch voelde ik me ‘anders’. Als kind kon ik dit niet onder woorden brengen. Omdat ik bovendien geen idee had of je zoiets überhaupt wel hardop kon zeggen, deed ik er het zwijgen toe.

Tot ik voor het eerst op reis ging met mijn zusje, niet lang geleden. Wij delen dezelfde moeder en op de helft van ons leven aangekomen, besloten wij onze bloedverwantschap te vieren. Aangekomen op onze zonnige bestemming, onderwierpen we allereerst de locatie aan een grondige inspectie. Eensgezind sprongen we vervolgens in de huurauto, door haar bestuurd want zij durft in aanvang beter dan ik, op weg naar de supermarkt waar we naast de nodige proviand vooral uitkeken naar schoonmaakmiddelen. ‘Aha, jij ook?!’ Er is dus nog iemand die net als ik, hecht aan reinheid en niet van het type smetvrees maar ingegeven door een diepgeworteld verlangen naar een eigen nest. Iemand die net als ik, ieder kwartaal de inrichting van haar huis verandert op geleide van een nieuwe episode in het leven. Iemand die net als ik, verzot is op variatie dus we hebben allebei een uitpuilende kledingkast, een ongekende verzameling nagellak, duizend kaarsen en een oneindige literaire en muzikale collectie. Want je voelt je elke dag ‘anders’, nietwaar?

Op de valreep voel ik me bevrijd en dat komt vooral omdat ik niet meer hoef te zoeken naar gelijkenis in de wetenschap dat ik bloedverwanten heb die op mij lijken, en ik op hen. Belangrijk is ook het besef dat mijn levensloop vrij uniek is en dus is het logisch dat ik me nogal eens ‘anders’ voel. In het boek ‘The Rosie Project’ (gekregen van mijn zusje) beschrijft de geniale en ietwat sociaal gemankeerde hoofdpersoon, die niet in een diagnose wil worden gevangen, hoe hij na een half leven eindelijk durft te erkennen dat hij zich ‘anders’ voelt en wat dit betekent voor hem. En neemt zich voor de tweede helft dicht bij zichzelf te blijven in de realisatie dat zijn anders-zijn soms aanpassingen van hem zal vragen.

Met deze conclusie ben ik het van harte eens. Onveilig gehechte, angstige en getraumatiseerde mensen zijn vaak geneigd zich aan te passen aan hun omgeving om nog meer afwijzing te voorkomen. Ze leggen de verantwoordelijkheid niet bij zichzelf maar bij de ander. De kunst is dit om te draaien, dus eerst jijzelf en daarna de ander. Dat gaat heus niet vanzelf en daar is die valreep voor bedoeld.

Een valreep, afgeleid van ‘fallrep’ (1700), is een touw (‘reep’) met knopen – later touwladder geworden en tegenwoordig loopplank – om langs de scheepswand omhoog te klauteren (aan boord komen) of om af te dalen (‘val’) naar de wal.