De Hokjesvrouw

De trein stopt nog bij een paar tussenstations, zoals in het dorp waar ik ben opgegroeid. Daar woont de oudste zus van mijn beste jeugdvriendin. In de jaren ’70 – wij zaten nog op de middelbare school – was zij betrokken bij de verzorging van afstandskinderen. Wat maakte ze mee in die tijd? Ze heeft  jarenlang pleegkinderen in haar gezin opgevangen en voor zover ik weet, nooit adoptie overwogen. Waarop is die keuze gebaseerd? Dat zijn interessante vragen. 
En dan is er de nazaat, die als kind samen met haar moeder op een landgoed woonde en in de grote villa vonden ongehuwd zwangere vrouwen een plek om te schuilen totdat ze gingen bevallen. Niet alle moeders stonden na de geboorte hun kind af. Wat was het verschil met de doorgangshuizen waar vanaf 1956 – het jaar waarin de Adoptiewet werd ingevoerd – afstand onder geheimhouding het uitgangspunt vormde voor grootschalige adoptiepraktijken? Hoe kijkt deze volwassen vrouw zelf terug op de omgeving waarin zij opgroeide? Wat weet ze zelf over de geschiedenis van Nederlandse adopties? Ze gaat het me allemaal vertellen binnenkort.
Ondertussen beginnen de verhaallijnen voor het boek vorm te krijgen, de verzamelde feiten stapelen zich op en de berg literatuur, weblinks en artikelen groeit gestaag. Het is één ding de ervaringen van tijdgenoten zorgvuldig te verwoorden maar ook de historische context moet voor de lezer helder en overzichtelijk in beeld verschijnen.
Op de route trek ik me terug in de stilte coupé om te schrijven. Met deze bezigheid heb ik een haat-liefde verhouding. Overdag overheerst de liefde, dan komen personages tot leven maar in het donker verandert mijn hoofd van binnen in een overvolle wachtkamer. Hoofdpersonen, figuranten en passanten brengen een bezoek en wijzen op allerhande gemiste of verkeerd gestelde diagnoses. Soms knip ik het bedlampje aan en noteer een paar krabbels op een notitieblaadje want anders vat ik de slaap niet meer.
Afgelopen nacht gebeurde het weer en toen ik dacht dat mijn bovenkamer eindelijk tot bedaren was gekomen, sprong een ander luikje open. Binnenkort vindt een interview plaats over mijn eigen levensverhaal (het boek in wording gaat uitdrukkelijk niet over mij) en de journalist heeft gevraagd of ik een paar fragmenten wil voorlezen uit ‘Onverveerd’. Dat vind ik een ontroerend mooi voorstel en meteen dient zich de vraag aan wat ik dan zal kiezen.
Zo soepel het schrijven, zo stroef gaat het kiezen me af. Als klein meisje worstelde ik er al mee. Wat is je lievelingskleur, lievelingsboek, lievelingsmuziek,  lievelingseten, lievelingsdier, lievelingsvriendin, lievelingsbloem, lievelingsspeelgoed, lievelingssport, lievelingsjurk, lievelings TV-programma? Bij zulke vragen hulde mijn ware zelf zich in nevelen en ik gokte wat belangrijke anderen zouden zeggen. Wie de ‘meerderheid’ vormden, hing af van het onderwerp en de omstandigheden. Het konden mijn vriendinnen zijn, de klasgenoten, de juf of meester, een prille liefde, mijn familie. Om gek van te worden.
In de loop der jaren heb ik een gezonde aversie ontwikkeld tegen hokjes. Mijn genetische achtergrond is verklarend in dit opzicht want mijn beide biologische ouders zijn c.q. waren vrijdenkers van het eerste uur, die zich aan het conservatieve en van religie doorspekte milieu waarin ze zijn grootgebracht, hebben ontworsteld.
Tel daarbij op de warme, intense opvoeding die ik heb genoten bij mijn adoptiefouders. Met hart en ziel leefden ze de ontwikkeling van intellect, kunstzinnige talenten en maatschappelijk-politieke participatie voor en je moest goed onderbouwde keuzes maken want je kon gewoonweg niet overal ‘voor’ zijn..
Zo kwam ik als nakomeling van twee – voor mij destijds onbekende – vrije vogels 
terecht in een wereld met een keur aan hokjes, waarvoor ik koos omdat ik dacht dat het zo hoorde. Als een wandelende collectie stapte ik door het leven, net als de Mondriaanjurkjes op de afbeelding. Grappig genoeg zijn ze ontworpen door Yves Saint Laurent in 1965, mijn geboortejaar. Hij was een dwarsligger en ook dat is een hokje. Zo zie je maar.